Column | De taal is mijn thuis | Saqr Alsonidi

Van de redactie Nieuwe Nederlanders – Saqr Alsonidi, Jemenitische schrijver en journalist

De afgelopen drie jaar ben ik Nederland niet uit geweest.

Geen enkele keer heb ik de grens overgestoken. Afgelopen zaterdag reisde ik naar Duitsland. Duitsland betekent veel voor mij. Al op jonge leeftijd openden de romans van Günter Grass mijn blik op de wereld.

Zodra ik de eerste Duitse stad binnenliep, kwamen al die herinneringen weer boven. Voor mij zijn landen immers niet in de eerste plaats grenzen op een kaart, maar de mensen die er wonen en de taal die zij spreken.

Het was halverwege de dag. Ik dwaalde door de straten en hoorde de taal waarin zoveel grote schrijvers hun meesterwerken hebben geschreven. Maar tussen al die stemmen door ving ik ineens Nederlands op. De taal waarvoor ik de afgelopen jaren zo hard heb gewerkt. Ik heb alles gedaan wat ik kon: taalcursussen gevolgd, vriendschappen gesloten met Nederlanders en iedere bibliotheek bezocht in de plaatsen waar ik heb gewoond, van het zuiden tot het noorden van het land.

En daar stond ik dan, luisterend naar het Nederlands. Het voelde niet langer als een vreemde taal. Het voelde als een mens die ik kende. Ik hoorde de woorden niet meer; ik zag iemand met wie ik een band had opgebouwd, iemand die mij begreep.

Ik vroeg mij af: kan een taal werkelijk zoveel betekenen? Is zij verbonden met onze identiteit? Is zij de draad die ons met een land verbindt?

Langs de Rijn wapperden talloze vlaggen, maar slechts één trok mijn aandacht: de Nederlandse vlag. Kunnen een taal en een vlag samen een identiteit vormen?

Dat zag ik terug in de gezichten van de Duitsers met wie ik Nederlands sprak. Ze keken niet alleen naar een mens; ze keken naar iets wat hun verwachtingen doorbrak. Een gezicht uit het Midden-Oosten dat probeerde zich goed in het Nederlands uit te drukken.

 Alsof ik kleding droeg die mij niet paste. Alsof ik een taal sprak die volgens hen niet de mijne kon zijn.

Hun blikken bleven hangen op mijn gezicht. Ze bestudeerden mijn gezicht, en steeds opnieuw voelde ik de behoefte uit te leggen dat ik uit Jemen kom en in Nederland woon. Alsof ik eerst mijn afkomst moest verantwoorden voordat ik het recht had Nederlands te spreken.

Mensen leggen anderen vaak een identiteit op. Ze willen ons in een hokje plaatsen, in een beeld dat voor hen herkenbaar is. Alles wat daarvan afwijkt, roept verbazing op.

Maar ik voelde juist trots. Trots dat ik iemand ben die meer dan één identiteit met zich mee kan dragen. Dat ik niet gevangen zit in één taal of één afkomst, maar de rijkdom van meerdere werelden in mijzelf meedraag. Diversiteit is niet alleen iets wat om ons heen bestaat; soms leeft zij in één mens.

Het waren bijzondere momenten. Ik zag hoe mensen probeerden te bevatten dat een mens meer kan zijn dan zijn uiterlijk of zijn paspoort. Dat hij een kind van de aarde is, gevormd door alles wat het leven hem heeft gegeven.

Ik liep verder tussen de voorbijgangers en riep naar de mensen op een terras:

“Is er iemand die Nederlands spreekt?”

Een jonge man stond op. Hij was samen met zijn vriendin en kwam uit Zeeland om er een paar dagen tussenuit te gaan

Ik zei tegen hem:

“Ik heb in Vlissingen gewoond, waar ik dagelijks de wind van de Noordzee trotseerde.”

Plotseling voelde het alsof we uit dezelfde stad kwamen. Alsof we iets deelden wat groter was dan onze verschillende achtergronden. Zijn enthousiasme was oprecht terwijl we met elkaar spraken.

Op dat moment besefte ik dat taal een thuis kan zijn. Een schuilplaats. Een plek waar je jezelf herkent.

Een taal bestaat niet alleen uit woorden. Ze draagt een manier van leven, een cultuur en een omgangsvorm in zich. Die Nederlandse jongen voelde op dat moment dichter bij mij dan alle anderen om ons heen, simpelweg omdat hij mij begreep.

Geschreven door