Kinderopvang, de theorie en de werkelijkheid | Column John van der Pauw

Het rapport van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag leidt tot een juridisch theoretische debat. Met aan de ene kant juristen die melden dat de Afdeling bestuursrechtspraak heeft kunnen kiezen voor een strenge interpretatie van wettelijke voorschriften[1] en anderen die een andere positie innemen[2].

Naast theoretische beschouwingen over wat des wetgevers is en wat de rechter mag doen, staat de harde werkelijkheid van de onderdaan.

Een van die onderdanen is mevrouw K. Zij moest van Sociale Zaken Almere in 2014 deelnemen aan een re-integratie-traject. Daardoor was kinderopvang noodzakelijk. Een kinderdagverblijf verzorgde die  opvang. Dus geen kinderopvang van een gastouder. Het kinderdagverblijf laat mevrouw M. contracten tekenen en stuurt maandelijks een factuur.

Voor de kosten van de kinderopvang in 2014 heeft mevrouw K. aanspraak op € 15.937 kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst Toeslagen (BDT). Sociale Zaken kent haar een aanvullende bijdrage toe. Vanaf augustus 2014 bleken meer uren kinderopvang nodig. Mevrouw K. geeft dat door aan de BDT.

Die informatie blijkt niet goed aan te komen. Het lukt mevrouw K. niet om dat probleem tijdig op te lossen. Het gevolg daarvan is dat de BDT niet de volledige aanspraak op het voorschot kinderopvangtoeslag 2014 uitbetaalt. In plaats van € 15.937 ontvangt mevrouw K. een voorschot van € 12.427. Ze mist daardoor nog € 3.510 om het kinderdagverblijf te kunnen betalen.

De totale kosten van de kinderopvang in 2014 zijn € 17.454. Onder meer dankzij het voorschot van de BDT en dat van Sociale Zaken kan mevrouw K. € 14.472 aan het kinderdagverblijf betalen. Voor de inning van de resterende € 2.982 schakelt het kinderdagverblijf een incassobureau in. Daarmee tfreft ze een betalingsregeling.

In februari 2015 stelt de BDT het recht op kinderopvangtoeslag vast op € 0. Daardoor moet ze het ontvangen voorschot van € 12.427 volledig terug betalen. Omdat mevrouw K. volledige kosten van de kinderopvang in 2014 niet binnen twee maanden heeft betaald, handhaaft de BDT de terugvordering na bezwaar.

In beroep presenteert mevrouw K. de feiten en maakt ze duidelijk dat ze niet alle kosten (tijdig) heeft kunnen voldoen omdat ze € 3.510 voorschot kinderopvangtoeslag miste. Tijdens de hoorzitting in Utrecht vraagt de rechter de gemachtigde van de BDT of de gepresenteerde feiten reden zijn om een ander besluit te nemen. Het antwoord is ‘nee’. De rechter oordeelt het beroep vervolgens ongegrond[3] en doet dat mede op basis van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Is zo’n uitspraak rechtvaardig? Is het ongekend onrecht dat een bijstandsmoeder die verplicht moest re-integreren opgezadeld is met een schuld die groter is dan haar jaarinkomen? Het was in juni 2017 in ieder geval de werkelijkheid waar mevrouw K. mee te maken had.


[1] Zo bijvoorbeeld prof. mr. J.E. van den Brink en mr. dr. R. Rotlep in aflevering 5 van NJB 5 februari 2021.

[2] Zo in het zelfde NJB nummer prof. mr. dr. L.J.A. Damen.

[3] Uitspraak rechtbank Midden-Nederland met zaaknummer UTR 17/902 KINDER V97

Geschreven door